Ga naar de inhoud

Rudi Polder - Camelot magazine

Menu overslaan
CAMELOT MAGAZINE
Title
Menu overslaan



Rudi Polder en het
verlichte Impressionisme

Het zeegezicht als innerlijk landschap

Dit artikel is gepubliceerd in 1986

Al  jaren lang ontdekt hij elke dag de zee weer opnieuw. Gezeten aan een baai van de Middellandse Zee schildert Rudi Polder (1926 – 2016) de eeuwig wisselende  stemmingen van het licht over het water. Het onderscheid tussen  innerlijk en uiterlijk landschap is daarbij voor hem verdwenen. De zee,  dat licht, dat is hijzelf.

Elke dag rijdt hij in  een grote Mercedes-bus van acht meter lang naar de zee om te gaan  schilderen. Dag na dag herhaalt hij de tien kilometer lange autorit van  zijn woonplaats naar de zee, en telkens ontdekt hij de zee opnieuw. Het  resultaat is een ongelooflijke productie aan schilderijen met alle  mogelijke variaties in kleur en kleurverdeling, waarop soms een enkele  scheidslijn de enige ʻfiguur’ is. Zijn doeken - landschappen? - zijn  leeg, de ruimte zelf. Hij schildert een werkstuk in één keer, à la  prima, en wanneer je ze één voor één aan je oog ziet voorbijgaan,  ontstaat een serie met honderden luchten en zeeën die de stemmingen  van  hun schepper weerspiegelen.
Rudi  Polder woont met zijn vrouw Wally sinds vijftien jaar in het zuiden van  Frankrijk, in Roquefort-les-Corbières, Languedoc, midden tussen de  wijngaarden. Daar bouwde hij met eigen handen uit een voor een  habbekrats gekochte ruïne een schitterend huis met atelier en  expositieruimte.
Abrikozen-, perziken- en amandelbomen omringen het gehele complex  en de indertijd geplante cypressen reiken nu tot vijf meter hoog.
 
Hij  vertelt me dat zijn huidige schilderijen moeilijk te verkopen zijn. Dit  in tegenstelling tot Polders vroegere werk, waar hij altijd veel succes  mee oogstte, vooral in Zweden. Maar, hij gaat stug door met zijn  innerlijke landschappen, met de leegte, de ruimte, de kleuren, het  licht: “Dat moment, die stemming, wil ik in één keer vasthouden”.
Zijn  werken worden steeds eenvoudiger, steeds ʻzuiverder’, en je vraagt je  af of er straks nog wel iets op het doek overblijft om te beschouwen?  “De mensen denken misschien wel: ze stellen niets voor, maar ik denk dat  men de innerlijke waarde ervan dan niet aanvoelt. Ze zijn ruimte en  licht, twee spirituele symbolen. Kinderen die mijn werk zien reageren  meestal heel spontaan. Eén riep onlangs uit: Kijk eens, dat is de lente.  En een ander: Dat is de oneindigheid. Licht is  het leven zelf. Er bestaat niets zonder licht en als er geen licht is,  is er ook geen kleur. Kleur is tot leven gekomen licht”.

Wat betekent de ruimte voor jou?
“Alles  wat wij zien, maakt deel uit van ons gedachtepatroon. De dingen die wij  zien vormen het decor van onze gedachten. Als wij ons bewust worden wat  de werkelijkheid voor ons betekent, gaat ze leven. Leven is het  functioneren van die werkelijkheid. De ruimte is dus de dingen  doordringen, de werkelijkheid doordringen met je gedachten, en één zijn  met de dingen. Het is een creatief proces waarin je steeds bezig moet  zijn, want als je dat niet doet, verstar je. Je moet steeds met nieuwe  ogen naar de dingen kijken en steeds open staan. Daar ben ik de hele dag  mee bezig, vooral als ik schilder natuurlijk, maar ieder mens zou dat  moeten doen: de dingen zien zoals ze zijn en ze beleven als iets nieuws,  als zijnde het nú, als zijnde het leven zelf. De meeste mensen nemen er  niet de tijd voor, omdat ze afgeleid worden. Enerzijds door de  ʻstruggle for life’,  anderzijds uit onbewustheid. Meestal kijken we heel egoïstisch naar de  dingen, en niet meer uit verwondering. Als je het goed beschouwt, staat  de hele wereld op haar kop en je wordt wel eens weemoedig en droevig als  je dat allemaal om je heen ziet. We beseffen niet dat we een vrije wil  hebben en ons eigen leven kunnen beïnvloeden. Dat dat wel kan, ontdekte  ik in de jaren vijftig toen ik Sartre bestudeerde. De mens kan van zijn  leven maken wat hij wil en altijd weer vanuit het Niets beginnen en zijn  leven een positieve wending geven. Maar ik ga toch door met schilderen,  ik kan niet anders, omdat ik des te meer de betrekkelijkheid van het  mensdom zie. Begrijpen we eigenlijk nog wel wat echt leven is?”
 
Wat is voor jou de mens?
De  mens is de ervaringen die hij meemaakt. Dat is voor iedereen uiteraard  verschillend. Ik kan dus enkel voor mijzelf spreken, hoe ik het menszijn  ervaar. Ik zie dan alleen het gevoelsleven, dat in wezen spiritueel is.  Zelfs het sensuele ligt op het spirituele vlak, want anders heeft het  geen waarde en is het slechts een gebruiksvoorwerp geworden. Om dat  zuiver te beleven, moet je er altijd mee bezig zijn, om werkelijk mens  te zijn. Je kunt dat geen moment in de steek laten: het steeds openstaan  voor anderen, voor de indrukken die je ondergaat en je die bewustmaken  en verwerken en omvormen tot een uiting die zuiver is. Eigenlijk ben je  steeds bezig met het kanaliseren van die werkelijkheid waarin je leeft.  Krishnamurti zei dat je jezelf kunt beschouwen als een rivier waar  doorheen het leven stroomt. Het leven is een keuze. Op een gegeven  moment moet je je afvragen: wat doe ik? Moet ik enkel voor het geld  werken, of moet mijn leven ook nog een innerlijke inhoud hebben en als  je echt voor het innerlijke leven kiest, is er geen weg terug meer".
 
Als je 's morgens naar zee gaat, wat voel je dan?

“Ik  voel dan de oorsprong van het bestaan. Als ik op het strand sta en ik  zie daar de zee voor me liggen, met al die glinsteringen en  kleurverschillen, die in de golven zijn, de einder die zich verschuilt  in de ochtendmist en daarboven de hemel, het blauw van onze ozon- en  zuurstoflaag, dan voel je iets, ook in jezelf, dat je daartoe behoort.  Dat jij dat bent, dat jij je dat stukje bewust wordt. Kijk, een van de  essenties van het schilderen is de werkelijkheid geestelijk te zien, te  vergeestelijken in een schilderij, anders heeft schilderen geen zin. Dan  kun je net zo goed een foto maken. Maar, als je de werkelijkheid met je  geestesoog beschouwt, dan zie je dat de werkelijkheid een abstract  element heeft. Eigenlijk is de werkelijkheid abstract. Er is een  vibratie in je gevoelsleven en je voelt je één met de wereld om je heen.  Dat wil ik elk moment voelen. Ik heb dat ook wel als ik naar een mens  kijk, of een dier, of een voorwerp. Ik voel mij een deel van dat alles.  Dat had ik vroeger ook al, ik heb dat mijn hele leven al gehad. Helaas  hebben veel mensen een gevoel van afgescheidenheid. Ik heb ook wel  momenten gekend waarop ik mezelf voelde uitdijen, alsof mijn hoofd  groter wordt, of mijn handen, en dat mijn hele lichaam de ruimte  inneemt. Dat heb ik verscheidene keren meegemaakt. Ik kan dat zelf niet  verklaren”.

Activist met pen en penseel

Rudi Polder werd in  1926 in Scheveningen geboren, als zoon van de schilder Gerrit Polder,  die wel “de laatste Nederlandse impressionist” wordt genoemd. Gerrit  Polder was van beroep kapper, maar schilderde in zijn vrije tijd. Na de  oorlog gaf hij het kappersvak eraan en wijdde zich geheel aan de  schilderkunst. Het gezin had het voor de oorlog niet breed en Polder  vertelt dat hij en zijn twee broers vaak “oud brood moesten eten, dat  maar de helft kostte. We aten maar één keer in de week vlees en in de  zomer liep ik soms zonder schoenen op straat. Maar, ik heb wel een fijne  jeugd gehad. Mijn ouders lazen in 1930 al de boeken van Krishnamurti.  lk heb dus geen ballast meegekregen van christelijke bangmakerij, van  een wraakzuchtige god”

De  jonge Polder begon al vroeg te tekenen, en met het schrijven van  gedichten, mede onder invloed van zijn buurman, de dichter Martinus  Nijhoff, die hem les gaf in sonnet-vorming. Polder typeert zichzelf dan  ook altijd als dichter-schilder. Die combinatie droeg ertoe bij dat hij  in 1946 ʻgeestelijk ongeschikt’ werd verklaard voor militaire dienst.  Daar had Polder het wel op aangestuurd in een serie brieven aan de  afdeling Militaire Zaken van Den Haag, waarin hij de reden van zijn  dienstweigeren uiteenzette: “Ik kan mij herinneren hoe ik als zeer  kleine jongen reeds gesprekken met mijn vader had en hoe hij me wees op  de waarheid van het leven en hoe die te volgen door eenvoudig en eerlijk  te handelen. En reeds op mijn zevende jaar begon ik gedichten te  schrijven, waarmee ik tot op heden ben doorgegaan en die willen zijn een  levensroep tot mijn medemensen om óók die waarheid te gaan volgen en  gelukkig te zijn”.

Toen  de oorlog voorbij was, ging Polder op reis, naar België, Frankrijk,  ltalië, Spanje. Onderweg tekende hij portretten om in zijn  levensonderhoud te voorzien en als hij zonder tekenpapier zat, vroeg hij  papier aan de slager: “Op die manier heb ik zes jaar lang geleefd,  zwervend met mijn rugzak en almaar tekenend. Ik ben tot in Lapland  gekomen”.

ln 1953 vestigde Polder zich in Marseille waar hij in het huwelijk trad met een Française: “lk  heb daar veel meegemaakt en daar de ellende van de maatschappij leren  kennen. Er heerste in Marseille een onvoorstelbare armoe. Ik kwam er in  contact met de onderwereld, de prostitutie, de alcoholisten die in  kartonnen dozen sliepen met een krant over zich heen. lk heb daar de  verschrikkingen van het leven gezien en ervaren hoe mensen elkaar  behandelen en hoe ze hun dagelijks brood probeerden te bemachtigen. Hoe  vreselijk was dat”.
 
ln  1957 liet Polder zich van zijn vrouw scheiden: “lk stond met één deken  op straat. lk heb mijn werk verkocht voor 1500 francs en met dat geld  ben ik weggegaan naar Nederland om weer opnieuw te beginnen. Twee laar  lang ben ik depressief geweest, want ik hield veel van mijn vrouw, maar  haar hele familie keerde zich tegen mij omdat men vond dat ik niet  genoeg geld verdiende. Zij was daar op den duur niet meer tegen bestand.  lk ben toen een tijdje verhuizer geweest en heb zeer zwaar lichamelijk  werk verricht, hard gesjouwd. lk wilde me op die manier weer geestelijk  gezond maken. Onder de verhuizers werd ik ʻde filosoofʼ genoemd, want ik  praatte altijd veel met de mensen”.





Zeegezichten
 
Beleving van de waarheid

De  ontmoeting met Wally, Polders huidige vrouw, werd een keerpunt in zijn  leven. Hij begon weer te schilderen en met haar een nieuw bestaan op te  bouwen, wederom in Frankrijk, maar nu in Roquefort-des-Corbières, in de  Languedoc: “lk kon niet meer buiten de Franse kust”.
Polder  heeft ook nog een atelier gehad aan de Nederlandse kust, aan de  Wassenaarse Slag, waar hij regelmatig zijn vroegere leraar Paul Citroen,  ontmoette met wie hij hele gesprekken voerde.
Het  werk van Polder is regelmatig geëxposeerd, zowel in binnen- als  buitenland. Vooral in Zweden is hij een begrip geworden, waar hij  overigens veel lof oogstte met zijn nieuwe werk in de zomer van 1985.

Van half november tot half december 1986 wordt werk van Rudi Polder tentoongesteld in de nieuwe Haagse galerie 'Kadans’, Maziestraatje 13. De tentoonstelling wordt feestelijk geopend ter gelegenheid van Polders  zestigste verjaardag. Deze overzichtstentoonstelling laat eveneens  vroeger werk zien.

___________________
opnieuw vertrouwd
is het al verre strand
als ik over de golven
omkijk uit de boot
___________________



Op zaterdag 23 november 1991 heette Alexandra Gabrielli het
verzamelde publiek in Galerie Arti Forum in Voorburg hartelijk
welkom
voor
de opening van de tentoonstelling van werk van Rudi Polder,
die werd gehouden ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag.

Geachte aanwezigen,

Rudi  schildert en tekent al vijftig jaar jaar. Dat is een mijlpaal. Maar  behalve schilder en tekenaar, is Rudi ook dichter. Op zijn twaalfde jaar  begon hij met dichten, onder leiding van  zijn buurman, de dichter Martinus Nijhoff, die Rudi les gaf in  sonnet-vorming. Vanaf die leeftijd heeft Rudi naast duizenden  schilderijen ook twintig gedichtenbundels geschreven, waarvan een in het  Frans, en die hij soms illustreerde met tekeningen en aquarellen.
 Als  u zijn gedichten leest, leert u de mens Rudi Polder goed kennen. Hij  beschrijft niet alleen zijn eigen gevoelens, maar hij levert ook  commentaar op de maatschappij en op de mens. Kijkt u naar zijn  schilderijen, dan ziet u aan het begin van zijn loopbaan daarop mensen,  dieren en hun omgeving, maar in het werk van de afgelopen twintig jaar  ontbreken de figuren. Zijn werk wordt steeds abstracter. In zijn  gedichten beschrijft Rudi zijn schilderijen. Door beiden te lezen en te  beschouwen komen we de persoonlijke filosofie van Rudi te weten. Niemand  is beter dan hij zelf in staat te verwoorden wat Rudi Polder bezielt.

Dat geldt vooral voor zijn zeegezichten  die hem zo dierbaar zijn en waarvan hij vaak het gevoel heeft dat de  toeschouwer ze niet begrijpt. Nu moet je een schilderij niet begrijpen,  zou u zeggen, je moet een schilderij aanvoelen, en dat is wat Rudi ook  eigenlijk bedoelt. Maar, je hebt daar natuurlijk wel een orgaan voor  nodig, voor dat aanvoelen. Zijn zeegezichten beschouwt Rudi als de kroon  op zijn kunstenaarsschap, zo heeft hij mij laten weten. De zeegezichten  vormen het laatste stadium van zijn ontwikkeling als schilder. Dat zei  hij mij tenminste vorig jaar. Maar, bij ons weerzien, acht maanden  later, bleek dat laatste stadium een voorlaatste stadium te zijn en een  opstap voor iets nieuws en anders.

We  zien op deze tentoonstelling dat Rudi diverse stadia heeft doorlopen.  Op zijn zestiende schilderde hij à la Breitner, donker, en dat is niet  verwonderlijk. Rudiʼs  vader, Gerrit Polder, was leerling van de Haagse  School geweest. Hij wordt wel de laatste Nederlandse impressionist  genoemd. Rudi onderging daarnaast de invloeden van Cézanne, Monet,  Utrillo, Laurens van Kuik en van zijn leraar op de kunstacademie in Den  Haag, Paul Citroen. Rudi wierp zich op het pointillisme, in de jaren  vijftig, maar in de jaren zestig begon hij in vlakken te werken, al  bijna abstract. De lijn die we door zijn werk steeds kunnen waarnemen is  ... licht. Hij werd daartoe allereerst geïnspireerd na het zien van het  werk van de Engelse kunstenaar William Turner die goochelde met licht,  kleur, nevelen en watermassaʼs. Rudi tilde als het ware een detail uit  Turners werk en ging daarmee op zijn eigen manier aan de gang. Met  perioden van onderbrekingen, waarin hij soms helemaal niet meer  schilderde, zal Rudi zich altijd bezighouden met dat licht schilderen.  Ik zal een paar van die onderbrekingen noemen.

In de jaren vijftig hield Rudi een happening in Den Haag met de titel Het Ding.  Dat was de titel van een gedichtenbundel waarbij een expositie werd  ingericht van alledaagse voorwerpen. Deze expositie kunnen we als een  voorloper van de pop-art beschouwen. In de jaren zestig trad Rudi op bij  een anti-kitsch manifestatie, ook in Den Haag. Doel daarvan was het  wakker schudden van de mensen vanwege hun wansmaak in de kunsthandel en  tegen de fabrieksmatige kunst. Als protest daartegen zond hij  brieven  naar de toenmalige minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,  Marga Klompé en verkocht Rudi zijn eigen schilderijen voor honderd  gulden per stuk, op straat in het openbaar. Een andere actie van hem was  een poging de bouw van een Franse atoomfabriek tegen te houden. Met een  bevriende Deense architect lanceerde hij het plan een kapel te bouwen  op het fabrieksterrein in de vorm van ʻbiddende handen van Rodin’. Zíjn inspanningen leidden hem zelfs tot de aartsbisschop van Nîmes om hem te steunen in zijn plan.
 
Tja,  Rudi als activist, als protesterende kunstenaar. Dat lijkt in  regelrechte tegenspraak met zijn serene, stille en lichte zeegezíchten,  waarop het tegendeel van actie en bemoeienis en maatschappelijke  betrokkenheid valt waar te nemen.
Ze zijn twee kanten, of twee  stromingen in de persoon Rudi. Het protesteren is altijd al in hem  geweest. Hij begon er al mee toen hij werd opgeroepen voor militaire  dienst. In een brief aan de Afdeling Militaire Zaken van Den Haag  schreef hij dat hij dienst zou weigeren. Hij was immers een kunstenaar  en hij legde uit hoe hij over het kunstenaarschap dacht. Hij koesterde  daarover hoge verwachtingen. Hij schreef: “Ik kan mij herinneren hoe ik  als zeer kleine jongen reeds gesprekken met mijn vader had en hoe hij me  wees op de waarheid van het leven en hoe die te volgen door eenvoudig  en eerlijk te handelen. En reeds op mijn zevende jaar begon ik gedichten  te schrijven, waarmee ik tot op heden ben doorgegaan en die willen zijn  een levensroep tot mijn medemensen om óók die waarheid te gaan volgen  en gelukkig te zijn”.
 
Rudi  vond dat hij als kunstenaar een ʻgeestelijk ambtʼ uitoefende, en  daarmee sloot hij zich aan bij de oproep die Kandinsky in 1911 deed aan  de kunstenaar, om spiritueel te zijn in de kunst, waarmee hij de  abstracte kunst inluidde. Rudi vervolgde in die brief: “De onbevangen in  het Nu levende mens is scheppend en niet dodend... Wat het leven van de  levenskunstenaar betreft, gaat het bij hem alleen om de beleving van de  waarheid, die steeds voor hem in het eeuwige Nu is...”
 
In  plaats van in dienst te gaan, waarvoor Rudi ʻgeestelijk ongeschikt’  werd verklaard, vertrok hij voor een reis door Europa van na de oorlog:  naar België, Italië, Spanje, onderweg portretten tekenend om in zijn  levensonderhoud te voorzien. Hij deed dat zes jaar lang om tenslotte,  zwervend met zijn rugzak, te eindigen in Frankrijk. Daar ging hij wonen.  Over die  periode in Franrkijk, waar hij tot 1957 woonde vertelt Rudi:  “lk heb daar veel meegemaakt, de ellende van de wereld leren kennen. Ik  woonde in Marseille, waar een onvoorstelbare armoede heerste. Ik kwam er  in contact met de onderwereld en de zwervers. Ik heb daar echt  verschrikkingen gezien en ervaren hoe mensen elkaar behandelen”.
 
Frankrijk  zal tenslotte Rudiʼs tweede vaderland worden. Eind jaren zestig begon  hij in Roquefort-des-Corbières, in de Languedoc, met zijn vrouw Wally  aan de bouw van een eigen huis. Hij woont daar op een heuvel, die  uitzicht biedt op de wijngaarden van het dorp. Er is daar veel licht. Er  is daar tijdloosheid en intensiteit. Rudi heeft me de plek laten zien  waar hij jarenlang, elke morgen vroeg naar toe trok om te schilderen,  aan de stranden van de Middellandse Zee.
 Hij heeft me laten zien hoe hij naar de lucht en het water keek, hoe  hij vlakken zag en de lijn van de horizon, die beiden íneenvloeien tot  ruimte. Hij streefde daar naar het Niets, naar het oneindige, en dat  proces noemt hij de grootste ontplooiing van zichzelf … Hij zei: “De  mensen denken misschien wel dat deze schilderijen van mij niets  voorstellen, maar dat is niet zo. Ze zijn ruimte en licht”.
De  zee is voor Rudi het lichtste van alles, een spiegel van de hemel. De  zee is voor hem het symbool geworden van het eeuwige, levende licht. Het  werk daar werd zijn levensadem. De zee, zegt hij, is het mooiste  onderwerp dat je kunt kiezen als schilder. Hij vertrouwde me toe, dat  hij er niet meer van af kwam: “Ik ben er zover in gegaan, dat ik me als  een monnik voelde, die biddend aan de zee zích helemaal toewijdde aan  de ruimte, mijn innerlijke ruimte”.
 
Het  zeegezicht is voor Rudi een innerlijk vergezicht, dat zich elke dag in  een andere stemming vertoonde en dat moment wilde hij in één keer, op  één doek, vasthouden.
We  zien zijn schilderijen almaar ʻeenvoudigerʼ worden, steeds ʻzuiverderʼ  in Rudiʼs eigen woorden, en, vraag je je af, zou er nog wel iets op het  doek over blijven om te beschouwen, voor ons?
Nee, zegt Rudi, ik kon  niet meer verder. “Ik zou tot wit zijn gekomen. Ik zou de werkelijkheid  zelf alleen nog maar kunnen ondergaan, de werkelijkheid van het  kunstenaar zijn. Dat had dus geen zin meer: schilderen. Maar wel zin had  dit innerlijke bewustzijn: “Ik kon niet meer geven dan ik gegeven heb.  Ik bleef bezig tot ik tot een wit doek kwam, een leeg doek waarop de zon  scheen. Ik hoef niet meer te schilderen, wist ik. Het witte doek was  volmaakt”.
 
Al veel eerder daarvoor had Rudi geschreven: “Licht betast het doek waarop ik schilderen zou”.
 
Rudi  Polder waagt zich aan een levensgevaarlijke opgave, schreef de criticus  Ed Wingen in 1983: “Avondzon op Middellandse Zee is een  levensgevaarlijk onderwerp die echter bij Rudi Polder een poëtische  verbeelding krijgt in een uiterst licht palet, een blond verfgebruik”.
 En een Zweedse criticus in 1985: “Er is geen twijfel mogelijk: lichter,  warmer en liefdevoller dan Polders kunst kan er niet zijn”.
De  Fransman Jean Thierry schreef in datzelfde jaar: “Een ander gegeven, nog  minder zichtbaar, rust op de gezegende toestand van Rudi Polder om te  over-beklemtonen en toch niet alles te zeggen: zulks is misschien alleen  in de Oosterse kunst aanwezig”.
 
Maar,  wat te beginnen met Rudiʼs opmerkingen dat hij niet meer hoefde te  schilderen? Was hij nu een eenzame verdwaasde, die twintig jaar lang  zijn uiterste best deed tot de zuivere Leegte, het Niets, of het Witte  Licht te komen?

Hij  heeft het antwoord zelf al gevonden. Immers, in 1986 zei hij al tegen  mij: “Een mens kan altijd weer vanuit het Niets beginnen”. Zijn laatste  werken, ook hier te zien, tonen aan dat hij weer opnieuw is begonnen.  Zijn witte licht begint uiteen te spatten in kleuren. Zijn verlichte  impressionisme vloeit door in een psychologisch expressionisme. Hij  begint weer aan het breken van het licht. Misschien zien we in de  toekomst weer figuren verschijnen. Eén figuur is hij altijd blijven  schilderen: zichzelf. Rudi heeft talrijke zelfportretten geschilderd die  vanaf 2 december in Galerie Arti in Den Haag zijn te zien.
 
Ik  wens u allen een goede rondgang langs de werken van Rudi en verklaar  hiermee deze prachtige tentoonstelling in deze mooie galerie voor  geopend!



Opgelucht lacht Alexandra Gabrielli naar  Rudi. Hij blijkt ingenomen met de toespraak. 65  jaar van zijn leven  zijn er gepasseerd   

©  Alexandra Gabrielli                                     E-mail: camelotmagazine@ziggo.nl
Terug naar de inhoud